CAO

Reistijden- en reiskostenregeling

  1. Als werktijd geldt: de tijd vanaf het eerste werkobject tot en met het laatste werkobject. Werkobject is de plaats waar de werkzaamheden worden verricht.
  2. Als reistijd geldt: de tijd die de werknemer reist met eigen of openbaar vervoer dan wel gebruik maakt van een vervoermiddel van de werkgever, vanaf huis naar het eerste werkobject, , en vanaf het laatste werkobject, , terug naar huis.
  3. Als reisafstand geldt: de afstand die de werknemer reist met eigen of openbaar vervoer vanaf huis naar het eerste werkobject, en vanaf het laatste werkobject, terug naar huis.
  4. Als via de vestiging wordt gereisd, geldt het volgende:
    • Reizen via de vestiging gebeurt in samenspraak tussen werkgever en werknemer;
    • Als de vestiging wordt gebruikt als overstapplaats (‘carpoolplaats’) en er wordt geen werk verricht. De totale reistijd tot aan het eerste object is woon-werk verkeer (en vanaf het laatste object terug naar de vestigingsplaats);
    • Als op de vestiging werkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld materialen verzamelen, werkstaten invullen, water bijvullen) voordat verder wordt gereisd. De reistijd vanaf de vestiging naar het eerste object is werktijd (en vanaf het laatste object terug naar de vestiging).
  5. Om de reisafstand en reistijd te bepalen past de werkgever voor alle werknemers een uniforme methodiek toe wat betreft de te gebruiken routeplanner en route om de reisafstand en reistijd te bepalen, tenzij de billijkheid in individuele gevallen een andere toepassing vraagt.
  6. Indien de reisafstand meer bedraagt dan 60 kilometer per dag ontvangt de werknemer:
    a. bij gebruik van openbaar vervoer, fiets en bromfiets: de volledige kosten van het openbaar vervoer.
    b. bij reizen per auto: vergoeding van alle kilometers op basis van de maximaal fiscaal toegestane onbelaste vergoeding.
  7. Indien de reistijd meer bedraagt dan 1,5 uur per dag wordt het meerdere vergoed als zijnde reisuren op basis van het CAO-basisuurloon.
  8. Voor de chauffeur, die gebruik maakt van een vervoermiddel van de werkgever, start (in afwijking op lid 1) de werktijd bij het laad- en/of losadres dan wel op de eerste opstapplaats van werknemers die vanwege de werkgever worden vervoerd.